2011/10/08

verraad

Ik ben verliefd op de meester van groep 4. Hij is heel lang en heel dun, als hij door de deur loopt, moet hij bukken. Als we rekenen hebben ga ik expres naar zijn bureau om te zeggen dat ik het niet snap. Dan legt hij het uit, en kan ik lekker naar zijn handen kijken die de sommen aanwijzen. Hij heeft hele dunne vingers en een ring om zijn rechter ringvinger. Hij heeft een mooi horloge. ’s Nachts als ik wil gaan slapen, fantaseer ik erop los. Dan lig ik in het ziekenhuis met een gebroken been, en dan komt de meester op bezoek, speciaal om met mij te praten. Dan blijft hij heel lang zitten. Dan voel ik me heerlijk opgewonden, een beetje verlegen en bang, maar eigenlijk heel blij van binnen. Zou het raar zijn om zo te denken? Als mama hoort dat ik fantaseer over een gebroken been, zegt ze dat ik zulke dingen niet moet hopen. Ik hoop het ook niet, maar het is zo lekker zielig, en als je in het ziekenhuis ligt, dan komt de meester natuurlijk op bezoek, dat heb ik in een boek gelezen. Zou het echt raar zijn om zo te denken? Stel je voor dat ik later groot ben, en ik herinner me dat ik deze dingen bedacht, zou ik het dan heel raar vinden van mezelf? Zou de ik die dan volwassen is, het aan andere mensen vertellen en er samen met andere mensen om lachen? Zou de ik die dan groot is, mij uitlachen? Dat zou een soort verraad zijn. Ik beloof mezelf om het nooit aan iemand anders te vertellen. Het is tenslotte dezelfde ik, met hetzelfde geheugen. Ik beloof mezelf dat ik de kleine ik die nu in bed ligt te fantaseren, nooit zal verraden. Ik beloof dat ik de kleine ik nooit zal uitlachen, als ik later groot ben.


Ik zit in de douche. De deur heb ik op slot gedaan. Het bad is vierkant. Ik lig op de vloer van het bad met mijn voetzolen tegen elkaar, voeten zijdelings tegen de muur. De kraan erboven. Het gevoel is nogal overweldigend, de eerste keer dat ik ontdekte dat je daar een heel lekker gevoel van kreeg, kon ik het maar heel eventjes doen. Langzamerhand kon ik het langer volhouden en kwam ik erachter dat je lijf ervan gaat schokken. Nadat mijn lijf klaar is met schokken, moet ik gauw rechtop gaan zitten, want dan voelt het niet lekker meer. Zou je hier ziek van worden? Zou het heel slecht zijn als je dit doet? Ik ben nog maar tien jaar, niemand merkt het. Eigenlijk wil ik het niet doen, omdat ik bang ben dat het slecht is. Toch doe ik het soms toch als ik ga douchen. Stel je voor dat ik later met iemand trouw, zou hij kan kunnen zien dat er iets geks is met mij daar beneden, omdat ik dit gedaan heb? Zou ik het later, als ik groot ben, heel raar vinden dat ik dit deed toen ik klein was? Zou ik het aan iemand vertellen en er samen met vreemde mensen, die ik nu nog niet ken, om lachen? Zou ik het jonge meisje, die toch dezelfde gedachten heeft, uitlachen? Ik beloof mezelf dat ik ook dit niet zal verraden.


Ik heb een vriend, ik heb hem ontmoet bij de studentenvereniging. Hij is lief en geeft veel om me. We willen trouwen en voor altijd bij elkaar blijven. We delen alles met elkaar en wonen samen. Op een intiem moment vertel ik hem over de onzekerheden van mijn jeugd, de gedachten die ik had en de dingen die ik deed. Ik vertel hem over mijn onwetendheden, dingen die ik niet wist. We lachen samen om het feit dat ik niet wist dat zelfbevrediging eigenlijk heel normaal is. We vragen ons samen af of tien jaar niet een beetje jong is. Wat lieve woordjes en we veranderen van onderwerp. Of liever, we gaan van lieve woordjes naar lief strelen. Ik denk terug aan het kleine meisje. Wat was ze jong en wat was ze lief, maar naïef. Dacht ze echt dat het uitmaakte dat zijzelf, maar dan in volwassen uitvoering, haar uit zou lachen? Het kleine meisje van toen is er niet meer, dat ben ik nu. Daar gaat het toch om?


We hebben ruzie, mijn vriend en ik. Het is geen vreselijke ruzie, maar we roepen toch wel kwetsende dingen naar elkaar. We halen elkaar onderuit, maken verwijten, schelden elkaar de huid vol. Mijn vriend zegt, denk maar niet dat je zo slim bent, toen je klein was viel je op lange iele mannen, ga dan een lange vent zoeken, die geen spierballen heeft, trut die je bent. Denk maar niet dat je zo schattig en lief bent, toen je tien was hield je je kut onder de kraan om aan je trekken te komen. Ga maar lekker weer in de badkamer zitten met de deur op slot, stuk ongeluk! Ik denk terug aan het kleine meisje, en ik wilde dat ik me aan mijn belofte gehouden had. Sommige dingen houd je voor jezelf.

2011/06/17

Gevoel voor humor: een moeilijke beslissing

Al vanaf de peuterspeelzaal was onze zoon anders. Hij reageerde anders op mensen om hem heen en hield van andere spelletjes dan zijn leeftijdgenoten. Na onderzoek werd uiteindelijk de oorzaak hiervan bekend. Het was voor ons een opluchting, omdat duidelijk werd dat we niet voor niets al die onderzoeken hadden laten doen. Aan de andere kant was het ook erg confronterend. We wisten dat er echt iets mis was met onze jongen. Gelukkig wisten we ook wat er aan de hand was en wat we eraan konden doen.

Onze zoon was namelijk overgevoelig voor humor. Dat betekent dat hij anders reageerde op situaties dan andere mensen. Hij zag altijd de humor van het bestaan in, en lachte hier ook vrijuit om. Situaties die voor andere mensen niet direct grappig waren, hadden op hem hetzelfde effect als een goede grap. Daar bleef het niet bij: op echte humor reageerde hij juist overgevoelig. Bij het horen van een goede grap of een gevatte opmerking kon hij soms in huilen uitbarsten. ‘Het gehalte aan humor is te hoog,’ zeiden we dan tegen elkaar. Zijn reacties klopten niet, hij lachte en huilde niet op de juiste momenten. Dit leidde al snel tot vervreemding, zowel van leeftijdgenootjes als van ons als ouders.

Wij hebben daarom lang gezocht naar een geschikte behandelaar. Eerst probeerden we therapie, waarbij hem geleerd werd welke grappen er zijn om te lachen, en welke situaties niet bedoeld zijn als grappen, en waarom dus niet gelachen hoeft te worden. Al gauw bleek dat deze behandeling niet ging helpen. Onze zoon begreep wel dat lachen in sommige situaties sociaal ongewenst was, maar kon soms toch zijn lachen niet inhouden. Bij het huilen om dingen die werkelijk als grap bedoeld waren, bleek hetzelfde: er was werkelijk sprake van overgevoeligheid voor humor.

Na veel andere omzwervingen langs diverse experts, zijn we uiteindelijk bij een dokter aangeland die ons aangeraden heeft om tot drastischere maatregelen over te gaan. Hij raadde ons aan om door middel van een chirurgische ingreep een einde te maken aan deze lijdensweg. De optie die hij onze zoon aanbood, was het operatief verwijderen van zijn gevoel voor humor. Omdat onze zoon nog te jong was om deze beslissing te nemen en de gevolgen te overzien, hebben wij voor hem besloten om hiermee in te stemmen.

De ingreep was relatief eenvoudig, en we zijn ook erg tevreden over het resultaat. Dat is maar goed ook, want een weg terug is er niet meer. Zijn gevoel voor humor werd operatief verwijderd in een ingreep die ongeveer drie uur duurde. Het moest erg voorzichtig gebeuren. Na de ingreep moest hij een paar dagen in het ziekenhuis blijven. Hij heeft er nog een weekje last van gehad. Daarna kon hij weer naar huis. Inmiddels functioneert hij weer prima, met als enige verschil dat hij geen last meer heeft van zijn overgevoeligheid. Hij begint niet meer, zoals vroeger, op onverklaarbare momenten te lachen om situaties waar hij humor ervaart die anderen niet ervaren. Ook huilt hij niet meer zoals hij vroeger deed, in een overgevoelige reactie op een goede grap.

Natuurlijk kleven er ook nadelen aan de ingreep. Zo heeft hij nu totaal geen gevoel voor humor meer. Als ik soms een goede grap hoor, dan verwacht ik onwillekeurig mijn zoon naast me te horen, maar als ik dan naar hem kijk, zie ik hem met een serieus gezicht voor zich uit staren. Mensen in onze omgeving merken tegenwoordig ook wel eens op, dat hij geen gevoel voor humor meer heeft. Daarom heeft hij nu therapie, zodat hij weet dat hij moet lachen als hij anderen om zich heen ziet lachen. Dat is makkelijker aan te leren, want er zijn zoveel mensen die niet daadwerkelijk lachen uit plezier, dat merkt niemand.

Soms denk ik dat er een stukje van zijn karakter weggehaald is bij de operatie. Maar natuurlijk weet ik ook wel dat dat niet zo is; het is juist de overgevoeligheid waar hij vanaf is geholpen, zodat hij geen sociaal ongewenste reacties meer vertoont. En daar kun je als ouder toch eigenlijk alleen maar blij mee zijn. Ook al zijn de gevolgen verstrekkend, je hebt uiteindelijk als ouder toch het beste met hem voor. Daarom zijn we toch blij met de beslissing die we als ouders genomen hebben.

2011/06/05

doordraaien

Je hoort in het nieuws soms over mensen die totaal doorgedraaid zijn. Mensen vermoorden in een zinloze schietpartij, zoals die man die mensen had neergeschoten in Arizona of eerder op scholen over de hele wereld. Ik denk er dan over na wat zulke mensen bezielt, wat er omgaat in het hoofd van zo iemand. Je kunt je vingers er gewoon niet achter krijgen, je kunt het je gewoon niet indenken. Je denkt, zulke mensen zijn nou echt helemaal gestoord. Nu keek ik pas de documentaires over vrouwen die iemand vermoord hebben. Een groot deel van zulke gevallen lijkt te maken te hebben met mannen die gewelddadig waren, of iets deden bij de kinderen van die vrouwen, zodat die vrouwen uiteindelijk tot een dergelijke daad kwamen. Dat soort gevallen heeft naar mijn idee niets te maken met zo’n doelloze schietpartij. Je kunt het namelijk wel enigszins begrijpen, ook al is het nog steeds moeilijk om je in te denken wat er in het hoofd van die vrouwen dan is omgegaan. Duidelijk uitleggen kunnen ze het zelf ook niet echt, lijkt me. Dat is dus nog steeds een overeenkomst: je gaat nadenken hoe het in vredesnaam kan dat iemand zo iets onbegrijpelijks doet.
Het vreemdste is, dat ik soms ook zo over mezelf denk. Ik heb niemand vermoord, ik ben het niet van plan, maar ik doe soms wel dingen waarvan ikzelf totaal niet begrijp hoe het komt, waarvan ik zelf ook ga denken, “wat gebeurt er in vredesnaam in dat hoofd?” Welk hoofd? Mijn hoofd. Ik ben soms best gewelddadig, er zijn ook ‘redenen’ – of zijn het aanleidingen? Ik ben verrot geslagen door iemand van wie ik veel houd, en ik heb diegene ook wel eens verrot geslagen sindsdien. Meer dan eens. Hoe kan dat ooit, en waarom ga ik niet weg? Ik snap het echt niet. Opeens merk ik dat ikzelf net zo gek ben als anderen, het komt allemaal dichterbij. Als ik mezelf zou begrijpen zou ik misschien andere gewelddadige mensen begrijpen. Het ligt er ook niet aan dat iemand aan mijn kind heeft gezeten: ik heb geen kind. Ik zal ook geen kinderen krijgen, want dan moet je eerst een stabiele omgeving gecreëerd hebben vind ik. Dat kan ik niet want ik begrijp mezelf niet eens. Ja, ik weet dat er iets knapt waardoor ik door het lint ga. Het komt vaak omdat ik niet kan overbrengen wat ik denk. Ik heb het vroeger vrijwel nooit gehad. Als het over is ben ik doodmoe, heb ik hoofdpijn en huilbuien. Als het aan de gang is voel ik woede en verdriet samengebald en vermengd tot een pijn die in mijn borst zit als een steen. Lekker duidelijk is dit, maar ik doe in ieder geval een poging. 

onrust

Ik kijk uit het raam naar een strook gras tussen de rails. Ik zit te denken dat ik die strook gras wel zou kunnen zijn. De kleuren van het dorre gras en het mos vormen een harmonisch geheel met de roestbruine rails en het verweerde hout van de bielzen tussen de rechte lijnen. Houten bielzen zijn toch mooier dan die nieuwere betonnen. Hoewel, na verloop van tijd worden die betonnen blokken ook weer roestbruin en dan is het verschil ook weer verdwenen. Niemand valt je lastig als strook gras, de treinen rijden langs je en mensen kijken naar je, als ze niet naar dat grote billboard met tijdelijke laserbehandeling aan het kijken zijn, dat er al meer dan twee jaar hangt. Ik voel me een beetje verdoofd, na een middagje liegen tegen mijn beste vriendin, rondsjokken in een museum omdat het leuk is, en nadenken over een wereld waar ik niet in lijk te passen. Nee, dat laatste is ook meer een theatrale zin omdat ik niet weet wat ik moet denken. Ik pas prima in deze wereld, ik red me als geen ander. Maar ik voel me vervreemd van de mensen die idiote levens lijden waar ik niets mee te maken heb. Een vrouw die de telefoon oppakt en ‘hi love’ zegt, zonder dat haar ‘love’ het hoort. Ze blijft nog even hallo zeggen tegen het apparaat en praat dan opeens Nederlands: ‘Ik ben hier, ik loop nu naar voren, zie je me? Ben je hier ook?’ Laat ik nu net gedacht hebben dat jij zo’n coole expat bent hier op dit station in den Haag, waarvan er dertien in een dozijn allemaal even bijzonder zijn. Engels praten en over Nederland praten en precies weten hoe het stadsleven in den Haag en Amsterdam werkt, in alle bars en clubs rondhangen in het weekend: zo leven Nederlanders ook. Waarom zou ik zo bitter zijn? Ik wil eigenlijk lachen om alles. Hier op dit perron gaat mijn ademhaling zwaar, ik tril en ik zie alles voorbij schuiven. Mensen, billboard, trein, autobumpers op een rij: alles is onscherp. Als dit interessant moet worden moet er een plot zijn, en moet ik niet eerst in een bewegende trein zitten en vervolgens weer op het perron op die trein zitten wachten. Later op de dag loop ik langs een gebouw. Het roept de associatie op met nieuwsberichten over jonge mensen die sterven. Bij die berichtjes weet je niet of er iemand om getreurd heeft. Je krijgt altijd van die condoleances en mensen gaan er altijd vanuit dat het een drama is voor de betrokkenen. Dat is het ook, ik weet het nog goed. Maar er zullen toch ook mensen omkomen die gewoon niet te genieten waren? Waarvan alle kennissen weten dat ze verdrietig zouden moeten zijn, zonder het echt te zijn? Mensen die voor zichzelf leven, nooit een goed woord hebben en anderen lastig vallen, kunnen ook omkomen bij een ongeluk. Stel dat ik toch een plot moet hebben, dan kan ik wel een mensenleven beschrijven wat gewoon helemaal rot is, en elke paar jaar een doodsoorzaak verzinnen, en kijken of ik aan de hand van het verhaal iemand kan bedenken die om de dood van de hoofdpersoon zou treuren. En elke keer leeft ze weer door. Zou het nog uitmaken, tussen de 75 en de 80 jaar? Waarschijnlijk wel, sommige mensen maken pas wat van hun leven als ze oud zijn. Wat voor leven zou iemand gehad hebben die op haar derde is overleden? Wat loop ik hier te denken, het is snikheet, morgen regent het weer en de werkelijkheid voelt onecht aan. Ik verveel me te pletter en ik ben kwaad op mijn partner omdat die zich ook te pletter verveelt.

2011/05/25

verzin zelf maar

Heb je wel eens het gevoel gehad dat je iets onheilspellends boven het hoofd hing, waardoor je buikpijn kreeg, je niet kon concentreren en misschien je eigen hartslag voelde in je oren en je borst? Ik heb er al een paar maanden regelmatig last van. Eerst gebeurde het misschien wekelijks en was het vooral een onbehaaglijk gevoel. Het komt sinds een paar weken bijna elke dag terug en het wordt erger. Ik tril, heb het gevoel alsof er iets zwaars op mijn borst ligt. Soms is de buikpijn zo erg dat ik diarree krijg. Het wordt erger naarmate het moment dichterbij komt. Over een paar weken is het definitief en weten we het. Dan weten we hoe ons leven verder zal gaan. Ik ga daar niet over uitweiden.

En soms zakt het gevoel ook even plotseling als het opkwam, bijvoorbeeld als zich een kleine gebeurtenis voordoet die doet vermoeden dat de uitkomst deze zomer positief zal zijn. Toch blijft de spanningsboog min of meer bestaan, en gebeuren er ook dingen die mij het ergste doen vrezen. Dat zijn de momenten dat mijn buikpijn een uitweg zoekt. Soms weet ik niet zeker of deze spanning en angst eigenlijk wel echt veroorzaakt wordt door het allesoverheersende belang van de beslissing die deze zomer moet vallen. Het kan evengoed dat ik bang ben voor iets anders, bijvoorbeeld mijn partner die door de spanning vaak agressief wordt en woest uitvalt. Als hij dat doet lijkt het of mijn leven uit elkaar valt als een verbrande krant. Op die momenten wordt mijn buikpijn heftiger, weet ik niet meer wat ik moet zeggen. Ik kan me voorstellen dat mijn ogen op die momenten opengesperd zijn. Hij heeft er een hekel aan als ik huil, dus dat probeer ik niet te doen. Sowieso gaat mijn stem alle kanten op, vooral omhoog, en ik stotter vreselijk.

Toch, het is ook een cirkelbeweging: als hij boos is en ik bang ben dat mijn leven uit elkaar valt, beïnvloedt dat de kansen dat onze beslissing in de zomer positief uitvalt weer negatief, dus op die manier is de kern van het probleem nog steeds het beslissende moment, en is de woedeaanval waar ik op dat moment overstuur van ben alleen maar een verwijzing naar wat er gaat komen. Met andere woorden, als de beslissing maar positief uitgevallen zal zijn deze zomer, zullen we o zo gelukkig zijn later dit jaar. Het gekke is, dat er ieder jaar een dergelijke beslissing valt, en ieder jaar houd ik me op de been met de gedachte dat het allemaal beter zal zijn, als de beslissing maar positief is. Daar ga je, nu heb ik mezelf echt neergezet als een complete idioot.

Toen ik begon met dit stukje te schrijven, had ik het gevoel een steen in mijn buik te hebben. Ik was overmeesterd door angst en ik kon toch geen betere bezigheid verzinnen. Ben daarom maar gaan zitten typen aan dit korte stukje. Halverwege (na ‘vallen’, voor ‘Het kan evengoed…’ in het midden van de tweede paragraaf) hoorde ik opeens van mijn partner dat er een contract getekend is, wat ons misschien weer zal redden. Heerlijk, de opluchting die je dan voelt. Zou het weerspiegelen in mijn schrijfstijl? Zou ik minder met mijzelf bezig zijn na dat positieve bericht? Zou het stukje interessanter worden om te lezen? Waarom denk ik hier over na?

Ik weet wel, dat ik bijna verslaafd zou worden aan de angst, alleen al om het gevoel van opluchting weer te kunnen voelen. Een leven zonder problemen is een leven zonder oplossingen. Of met een overvloed aan onnodige oplossingen. Onnodige oplossingen zijn hinderlijk, want door hun overbodigheid worden het problemen. Als het voor mijn angst geldt dat ik het nodig heb om daarna een kick te krijgen van de opluchting, dan kan dat ook wel zo zijn voor verdriet. Je hebt het misschien wel nodig. Ik herinner me de leegte die ik voelde nadat het schurende, raspende verdriet over de verdrinkingsdood van mijn enige held verdwenen was. Hij was er voor mijn gevoel nog toen het verdriet er nog was. Al was het dan een negatief, wanhopig gevoel, het was wel aan hem verbonden en dus was hij het. Het was beter dan niets. Gelukkig kan ik nog steeds huilen als ik foto’s van hem bekijk, en als ik bedenk welke mensen en dingen hij niet heeft kunnen zien en meemaken. Het verdriet komt nu alleen nog terug als ik verdrietig ben om iets anders. Blijkbaar is degene van wie ik het meest hield, en voor wie ik een zonnetje was, nu gewoon een associatie met verdriet geworden. Ik heb iets fout gedaan in de rouwverwerking. Blijkbaar kun je dat gewoon fout doen. 

2011/02/05

Fijnproevers genre

Boeken zijn in Nederland schandelijk duur. Zo duur dat ik in het buitenland altijd bezig ben boeken te kopen. Toch koop ik soms in Nederland ook een boek, bijvoorbeeld als er uitverkoop is. Meestal kom ik dan uiteindelijk met ongeveer drie of vier boeken thuis. Vaak zijn het boeken van buitenlandse schrijvers, omdat ik het idee heb dat die wel goed moeten zijn om vertaald te worden. Dat zorgt dus vaak voor teleurstellingen.

Er is een bepaald soort boeken, ik denk dat het inmiddels wel een genre te noemen is, die ik zo langzamerhand heb leren haten. Laat ik het het ‘fijnproevers’ genre noemen. Iemand die wel eens zo’n boek gelezen heeft, weet wat ik bedoel. Het gaat erom, dat de auteur het blijkbaar heel cool vindt dat hij verstand heeft van lekker eten. De auteur laat zijn verfijndheid zien door te beweren dat het enorm uitmaakt hoe een vis gevangen, gedood en klaargemaakt is. Dat de smaak beter is als bepaalde dingen wel of niet gebeurd zijn. De auteur dringt zijn mening op aan de lezer, en legt zich erop toe om onwaarschijnlijke vergelijkingen te trekken tussen visueel genot, sensueel genot en goed klaargemaakt eten. Bepaalde soorten voedsel worden op erotische manieren beschreven, evenals bepaalde smaken. De schrijver probeert geen voor de hand liggende vergelijkingen te maken. Deze boeken zitten vol met beschrijvingen van de ‘atmosfeer in de keuken,’ het gebruik van messen, en de vaardigheid om te proeven wat er in een gerecht verwerkt zit. Het is creatief om in staat te zijn een bepaald gerecht te bedenken en bepaalde smaken te combineren. Zelfs beschrijvingen over hoe iets op een bord gerangschikt wordt, worden niet geschuwd.

Begrijp me niet verkeerd, ik houd van lekker eten. Maar om het genot van eten zo sensueel in te vullen, gaat me wat ver. Ik geloof niet dat er niets boven de smaak van de auteur gaat, en ik wil me geen ideeën over lekker eten laten opdringen. Auteurs die zo schrijven, zijn wat mij betreft snobs die het best genegeerd kunnen worden, met een smalle doelgroep. Ik geloof dat de meeste mensen die dit lezen, dat vooral doen omdat er niet veel beters voorhanden is, of omdat ze misleid zijn door de tekst op de omslag, die er vaak nog wel redelijk uitziet. De beschrijving op de omslag klinkt uiteraard vlot, en het taalgebruik ziet er op het eerste gezicht aardig uit, als je het boek doorbladert. Jammer dat de auteur zo afkeurend schrijft over iemand die eten klaarmaakt en er geen dergelijke hoogdravende ideeën op na houdt. Misschien iemand die gewoon met beide benen op de grond staat, ook nog een leven heeft buiten de keuken, en gewoon moet rondkomen van weinig geld, en daarom gewoon een kilo gehakt koopt om vijf dagen van te eten.

Ik wil nooit meer van die boeken kopen. 
Help me maar onthouden. 

2010/10/19

machteloosheid

Ik heb eigenlijk nooit veel machteloosheid gekend in mijn leven, tot ongeveer twee jaar geleden. Sindsdien kan ik haarfijn aanwijzen wat voor psychische en fysieke verschijnselen bij machteloosheid horen. Bijna twee jaar geleden stierf degene, wiens dood ik mijzelf nooit als geestelijk spelletje had proberen voor te stellen. Ik dacht als kind wel eens aan de dood, en hield mezelf voor dat oma eens zou sterven. Ik hield van haar en de gedachte dat ze er eens niet meer zou zijn, bracht de tranen in mijn ogen. Ik kon me voorstellen hoe verdrietig ik zou zijn. Ze is er nog steeds en we bereiden ons langzaam mentaal voor op haar dood. Ik zal huilen als ik het hoor, ik zal verdrietig zijn want ik houd van haar, maar ze is zielig in dat bejaardentehuis en het wordt langzaamaan tijd voor haar. Ook mijn ouders waren er soms plotseling niet meer in mijn dagdromen. Ik fabriceerde in gedachten een ongeluk, en mijn hele familie (op één broertje na misschien) was er opeens niet meer. Wat zou ik huilen, dacht ik. Maar ik zou verder leven, dacht ik. Ik heb het niet hoeven bewijzen: ze zijn er nog. Die mentale spelletjes van mij hebben geen nut. Er was één persoon van wie het niet eens in me op kwam dat hij eigenlijk ook zou kunnen sterven. Bij het creëren van verdrietige situaties kwam zijn persoon niet in me op. Hij was onaantastbaar.
Totdat hij op vakantie omkwam bij een ongeluk. Ik hoorde het door de telefoon en kwam halsoverkop met het vliegtuig naar het ziekenhuis waar hij lag. Hij lag in de Intensive Care, in een omgeving die niet bij hem paste. Hij ademde en zijn hartslag kon je volgen op een apparaatje. Ik fixeerde me op de hartslag: dat bewees leven. Anderen accepteerden dat hij niet meer leefde, ik geloofde dat er een wonder zou gebeuren. Zijn ademhaling was geen ademhaling: het was een pomp die lucht in zijn longen pompte en zijn borstkast op en neer deed gaan. Zijn hartslag was wel echt. Ze hadden het over de functie van de organen, en hoe kerngezond hij was voor iemand van zijn leeftijd. Maar dat zijn hersens onherstelbaar beschadigd waren. Ze hebben de stekker er uit getrokken.
Ik wenste dat het iemand anders zou zijn in zijn plaats. Er waren genoeg mensen die ik voor hem zou willen ruilen. Ik zou mijn hele familie wel voor hem willen ruilen. Ik besefte dat mijn mentale spelletjes dit scenario overgeslagen hadden. Ik wilde hem terug en ik was boos. Ik huilde, ik wilde gillen. Gil maar niet in de Intensive Care afdeling. Ik voelde me machteloos dat ik niets kon veranderen. Dat was mijn eerste ontmoeting met echte machteloosheid.
Daarna was het de depressie van mijn partner, maar gaat niet naar een psycholoog, we weten dus niet eens of het echt depressie is. Maar het feit is dat hij zich nergens toe kan zetten, iets wat ik me totaal niet voor kan stellen. De machteloosheid zit erin, dat ik al drie jaar enorm positief moet doen, spreken en denken in de hoop dat mijn partner het een beetje oppikt. Hoe breng ik hem aan het verstand dat hij enorm veel mogelijkheden en talenten heeft, als hij er maar iets mee gaat doen? Hoe overtuig ik hem dat de toekomst en de wereld om ons heen helemaal niet zo grijs en bleek is dan we wel denken? En langzamerhand ga ik op hem lijken; langzamerhand zak ik weg in een grijs en grimmig wereldbeeld. We willen een sociale huurwoning: de wachtlijst duurt jaren. We wonen in een kamer, met een huisbaas die rookt als een ketter en zijn huis vult met honden (stank) en de kleinkinderen (herrie). Je kunt geen kant uit als je ergens fatsoenlijk wilt wonen: de 800 euro per maand die je op de vrije markt betaalt, die kun je niet opbrengen als student, als je in antikraak woningen en tijdelijke bewoning je oplossing gaat zoeken, ontneem je jezelf van het basis recht om niet op straat gezet te worden. Panden kraken mag ook al niet meer. Machteloos voel je je dan, en je beseft dat machteloosheid pas de echte werkelijkheid is, dat je positieve instelling, waardoor je dacht problemen op te kunnen lossen, eigenlijk verbeelding was. En langzaam word je gek en dement voor je tijd.